terug
Mail van Rasgroep 1 over de bestuursrechtelijke plaats van de NMA
Geacht bestuur,
Mevrouw Vermeeren, voorzitter van de Nederlandse Herdershonden Club had zoals de meeste aanwezige leden moeite met het tijdsplan van de Raad van Beheer met betrekking tot het toelaten van meerdere rasverenigingen per ras.
Mevrouw Vermeeren is juriste en heeft als specialiteit Bestuursrecht.
Onderstaand wat mevrouw Vermeeren tot nu toe heeft uitgezocht: "Ik ben nagegaan hoe het nu zit met de NMA. Het antwoord dat mevr Oeldrig gaf nadat zij de "hulptroepen" had geraadpleegd blijkt niet juist te zijn.
Achteraf vraag ik me af of zij (en wellicht ook andere aanwezigen gisteren) wel begrepen hebben wat ik gisteren bedoelde. De term "bestuur'sorgaan" schept wellicht verwarring, want het heeft namelijk helemaal niets van doen met het besturen van een vereniging. Het bestuur van een vereniging en het bestuur van de Raad zijn geen bestuursorganen in juridische zin.. Een bestuursorgaan is een juridisch begrip en staat voor een zelfstandig overheidsorgaan. Voorbeelden van bestuursorganen zijn de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders (van iedere gemeente), een ministerie, de rechtbanken enz.
Het NMA functioneert sinds 1998 als uitvoeringsorgaan van de Mededingingswet. In 2005 is deze wet gewijzigd in die zin dat het NMA vanaf dat moment een zelfstandig bestuursorgaan is. De Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op alle bestuursorganen, dus ook het NMA. Dit is ondermeer terug te vinden in de informatie van het NMA zelf.
In de Algemene Wet bestuursrecht is ondermeer geregeld aan welke eisen de besluitvorming van een bestuursorgaan moet voldoen om juridisch stand te kunnen houden. Het gaat hierbij ondermeer om zorgvuldigheid en belangenafweging. Ook de rechtsbescherming is in deze wet geregeld (bezwaar, beroep). Procedures met bestuursrorganen dus ook met het NMA vergen met name deskundigheid in het vakgebied bestuursrecht.
Uit de informatie die de Raad op de informatieavond heeft verstrekt, de stukken en de reactie gisteravond heb ik grote twijfels over de deskundigheid op het vlak van bestuursrecht bij de door de raad ingeschakelde advocate. Ten aanzien van mededingingsrecht zal ze best weten waar ze het over heeft, maar bestuursrecht is een heel ander specialisme. Ik ben geen specialist op het gebied van Mededingingswet, maar toevallig wel deskundig op het gebied van bestuursrecht. Het beeld dat geschetst wordt "als we nu niet toegeven zijn we overgeleverd aan de goden" is pertinent onjuist.
Misschien is het een optie om rechtstreeks in gesprek te gaan met de door de Raad hiervoor ingeschakelde advocate en de Raad om duidelijkheid te krijgen. Wellicht kunnen we dat namens de rasgroep doen? Insteek is daarbij niet om kritiek te leveren op de hierin tot op heden door de Raad ondernomen stappen, maar om er gezamenlijk voor te zorgen dat we een juiste keuze maken. Die keuze is in eerste instantie niet de keuze wel/geen meerdere rasverenigingen toelaten (die komt later), maar de keuze of we nu onder vermeende tijdsdruk het roer om moeten gooien zonder dat de exacte invulling hiervan en de gevolgen op dit moment inzichtelijk zijn.
Het feit dat het NMA een bestuursorgaan is en de Awb (Alg. wet bestuursrecht) betekent dat de besluitvorming aan een aantal voorwaarden moet voldoen wil ze niet in een procedure onderuit gaan. De omschrijving van de Raad van de manier waarop het NMA tot besluitvorming komt voldoet voldoet daar niet aan. Ik weet echter niet of het beeld dat de Raad ons heeft gegeven ook de werkelijkheid is. Verder is het niet zo dat de Awb zelf voor uitstel zorgt, maar dat uit deze wet volgt dat we het hele traject (dus later dan de deadline van 1 november) in de gelegenheid zijn om zelf een besluit te nemen (en er dus tijd is om voors-, tegens en conseqenties op een rijtje te zetten en af te wegen. Door de Raad is als mogelijke sanctie het opleggen van een dwangsom genoemd. Een dwangsom is echter bij uitstek een middel om de andere partij zelf actie te laten ondernemen op straffe van een geldbedrag. In ons geval zou het dus kunnen dat het NMA als ze al besluit om onderzoek te doen, nadat ze dat onderzoek heeft afgerond en ze heeft geconcludeerd dat de mededingingswet op ons van toepassing is én dat sprake is van overtreding van de regels in deze wet, besluit om aan ons (= Raad) een dwangsom op te leggen om ons er toe te bewegen de overtreding op te heffen. Hoe we dat dan precies doen (bijv welke voorwaarden we verbinden aan het toetreden van andere verenigingen) is dan in principe nog steeds aan onszelf. Vriendelijk verzoek ik u deze email door te sturen aan uw leden. --
Nellie Nugteren secretaris Rasgroep1
Enige opmerkingen namens de NSC. Voelt u zich vrij hierop te reageren
1.Ik denk dat zij gelijk heeft met haar stelling, dat wij niet aan de heidenen overgeleverd zijn als wij het op een beslissing van de NMA laten aankomen. Inderdaad is de NMA een bestuurorgaan, tegen welks beslissingen men bij de bestuursrechter kan opkomen. Maar daarmee zijn we er natuurlijk nog niet.
2.
Het punt waar het dan om gaat is: bestaat er een redelijke kans dat een beroep bij de bestuursrechter tegen een eventuele voor de Raad van Beheer nadelige beslissing van de NMA enig succes heeft ? Als wij mogen verwachten dat we daar ongelijk krijgen komt dat op hetzelfde neer als het aan de heidenen overgeleverd zijn. Het gaat er dus om of in de voorlopige bevindingen van de NMA punten te vinden zijn waarop de conclusie daarvan aangetast kan worden.
3. Op het eerste gezicht lijken die voorlopige bevindingen (nader: VB) een tamelijk sluitend verhaal te zijn. Toch zijn er wel enkele opmerkingen over te maken, al kan ik absoluut niet beoordelen wat daarvan de gevolgen zijn.
3a. In alinea 8 van de VB wordt de omstandigheid dat van de rasverenigingen niet alleen fokkers, maar ook niet-fokkende hondenbezitters lid zijn (ik ga er tenminste van uit dat dat niet alleen bij ons, maar ook bij de andere rasverenigingen zo is - of in elk geval bij de meeste daarvan) geheel buiten beschouwing gelaten. De NSC is een vereniging waarvan niet alleen de ondernemers lid zijn, maar ook de consumenten. Is zij toch een ondernemersvereniging ? Ik kan het bij gebreke aan kennis van deze finesses van het mededingingsrecht niet beoordelen, maar noteer wel dat deze conclusie van de NMA dragend is voor alles wat er dan nolgt.
3b. Ik vraag me af of de verklaring van de RvB, genoemd in de eerste zin van alinea 17 van de VB, correct wordt geïnterpreteerd. De conclusie die de NMA eruit trekt lijkt me in elk geval onjuist.
3c. In de alinea's 14 t/m 19 van de VB wordt m.i. onvoldoende onderscheiden tussen toegankelijkheid voor de fokkers en toegankelijkheid voor de verenigingen. Het gaat er om of elke aan de kwaliteitseisen voldoende fokker erkenning van de RvB kan verkrijgen. Daarvoor is geenszins nodig dat de één-vereniging-regel wordt losgelaten.
3d. De laatste zin van alinea 18 is een enormiteit. Hier wordt miskend dat het los van het fokreglement opereren de gezondheid van het ras in gevaar kan brengen, daargelaten of zonder het volgen van dat reglement gefokte honden als rashond erkend mogen worden.
3e. Alinea 19 gaat geheel voorbij aan de omstandigheid dat die zielige niet-leden, als zij aan de kwaliteitseisen voldoen, zeer wel lid kunnen worden.