Rasgroep Pinschers, Schnauzers, Molossers en Zwitserse Sennenhonden Rasgroep 2, de rasgroep Pinschers en Schnauzers, Molossers en Zwitserse Sennenhonden is één van de F.C.I.-rasgroepen die moeilijk interpreteerbaar is. De rasgroep bestaat uit vele rassen die in secties worden ingedeeld. De overlevering zegt dat de naam Pinscher afkomstig is van het Engelse 'to pinch' dat knijpen, knellen of klemmen betekent en dat herleid kan worden tot de gewoonte van de Pinschers om hun prooi met twee voeten tegelijk te grijpen bij het jagen of spelen. De Dobermann is een buitenbeentje. Hij is pas in de tweede helft van de 19e eeuw gefokt door kruisingen met verschillende andere rassen. De heer Dobermann, een hondenvanger en -vilder, zich ten doel had gesteld een ras te fokken dat als veelzijdige gebruikshond voor leger en politie kon worden ingezet zonder dat een fraaie belijning en adellijk voorkomen werd verloren. Recht tegenover deze sierlijke en adellijke Pinschers en Schnauzers staan de Molossers, de tweede sectie binnen de rasgroep. Honden die op kracht, massa en grote wendbaarheid gebouwd zijn en derhalve gekenmerkt worden door een zwaar beendergestel, een brede schedel en een relatief korte snuitpartij. Zij kennen een historie die teruggaat naar de Romeinen. Als vechthonden werden zij gebruikt in oorlogen en ter vermaak in de arena's, terwijl ook de verdediging van huis en haard tot het eisenpakket behoorde. De meeste Dogachtigen hebben een ruime nek- en keelhuid hetgeen terug te voeren is op hun functionaliteit. In vel zitten namelijk minder zenuwen en bij een verwonding waarbij alleen het vel beschadigd wordt, zal de pijn minder heftig zijn en zal de hond langer blijven doorvechten. Het kwetsbare deel van elke hond ligt tussen de kop en de romp, omdat aldaar (slag)aders dicht onder de oppervlakte liggen naast de luchtpijp en vele zenuwstrengen. Een hond met veel keelhuid zal dus minder kwetsbaar zijn in een gevecht. Sectie 3 bevat de Zwitserse Sennenhonden, vier in totaal: de Appenzeller Sennenhond, de Berner Sennenhond, de Entlebucher Sennenhond en de Grote Zwitserse Sennenhond. Deze rassen hebben wel degelijk enige verwantschap met de Molossers, als we de lichaamsbouw en de bouw en afmeting van de schedels in ogenschouw nemen. Dat deze honden zoveel gemeenschappelijke kenmerken bezitten, komt voornamelijk doordat zij in de dalen van de Zwitserse Alpen en in het midden van Zwitserland leefden en sterk zijn doorgefokt op hun aldaar benodigde kwaliteiten. Prof.dr. Studer uit Bern heeft de verschillende honden hun benaming 'Sennenhonden' gegeven. Dat zij dezelfde oorsprong hebben wordt duidelijk uit de gemeenschappelijk kenmerken van de vier rassen: zij hebben praktisch allen gelijke kleuren, bekend onder de naam driekleur. Zwart met witte en gele tot roestrode aftekeningen, die in de regel symmetrisch gerangschikt zijn. Alle vier hebben ze een sterk in de breedte ontwikkelde romp, een tamelijk brede, sterke achterschedel, en tamelijk hoog aangezette, hangende oren, die in rust tegen de wangen liggen, maar wanneer de hond zich opwindt of iets zijn aandacht trekt, bij de wortel omhoog worden getrokken en naar voren gedraaid. Tenslotte nog even de aandacht voor ons nationale ras, de Hollandse Smoushond, dat in deze rasgroep is ingedeeld. Achtergrond hiervan is dat de Hollandse Smoushond, evenals de Schnauzers gebruikt werd als 'stalhond', hoewel met enig verschil van rang en stand. De Hollandse Smoushond was een 'herenstalhond', maar wel met dezelfde taak, de stal vrijhouden van ratten en muizen. De Smoushond schijnt uit de gele Schnauzer te zijn ontstaan. Een kleurvariëteit die niet hoog was aangeschreven bij onze oosterburen en daarom niet meer voorkomt binnen de Schnauzerpopulatie.
|
|
|
|
|
||
| disclaimer | Privacy Policy | ©2006-2010 DeRashond.nl (Deze website is het beste te bekijken met een beeldschermresolutie van 1024 x 768) | ||